“Merk jij dat ook,” vroeg iemand aan me: “dat de tijd steeds sneller lijkt te gaan en voorbij vliegt?” “Jazeker dat merk ik ook,” antwoordde ik. Dat gevoel dat je de tijd niet kunt bijbenen is iets van alle eeuwen. In de veertiende eeuw schreef de Italiaanse dichter Francesco Petrarca al: ‘Ik wil juist nu, nu de zon ondergaat, mijn pas versnellen, om zo de tijd in te halen die ik overdag heb verspeeld.’ Ons jaar kent verschillende momenten waarop we even bewust mogen vertragen en stil mogen staan. Die momenten kennen in onze kerk vaste rituelen die dit bevestigen; Zo beginnen we aan de veertigdagentijd na het halen van het askruisje op Aswoensdag. Alle gekkigheid van het leven is even voorbij en we mogen nu stilstaan bij wat we echt belangrijk vinden in ons leven, waar we hoop en moed uit kunnen putten, soms door alle ongeloof en wanhoop heen. Het is ook een tijd waarin we mogen bedenken dat we best wat meer aan een ander mogen denken, dichtbij in onze familie en onze buurt of verder weg bijvoorbeeld via de vastenactie. De Veertigdagentijd, van oudsher een tijd van minder eten, van vasten en onthouding, is voor de natuur juist een tijd om tot bloei tot komen. De bolletjes steken hun kopjes op uit de grond, de vogels hoor je weer fluiten en zie je takjes verzamelen. De tijd van voorbereiding op Pasen is tegelijk een tijd van verwachting en van hoop. Dit zijn de lichtpuntjes die ons in donkere tijden de weg wijzen, op weg naar Pasen. Hoe moeilijk de tijden soms ook zijn, we geloven dat God in geen enkele situatie afwezig is, uit onverdachte hoek laat hij zich zien. “Ik zal er zijn” is de naam waarmee God zich kenbaar maakte aan zijn volk. In die verwachting mogen wij leven en samen op weggaan.
Pastor Schraven
